Onthaasten om te overlevenMijmeringen van een jonge man op jarenIemand zei : “Al het leed van de mensen komt maar uit één ding voort, en dat is dat ze niet rustig in een kamer kunnen blijven zitten.” Je zult inmiddels al begrepen hebben, lezer, dat de traagheid waarover ik het heb, geen karaktertrek is maar een levenskeuze. We mogen ons niet uit ons evenwicht laten brengen in een samenleving waarin we worden opgejaagd. Of anders gezegd : we mogen ons niet uit ons ritme laten duwen. Traagheid is te herkennen aan het streven om de tijd niet te bruuskeren en om onderweg onszelf niet te vergeten. Ik weet het, het klinkt nogal absurdistisch, lezer, en toch voel ik mij nu veel beter dan toen ik als een opgejaagde homo sapiens de wereld wilde overtuigen van mijn snelheid, mijn handigheid, mijn (economische) flexibiliteit. Ik kies nu voor de vlucht in een ingedommelde wereld, ik maak gebruik van een risicovol en eenzaam schrijven, ik wacht op wat misschien nooit zal gebeuren, ik vouw de handen in plaats van ze te openen, ik verlaat mij uitsluitend op de wijsheid van de wijn. Ben ik boos op de wereld ? Maar neen, waarom zou ik ? Leven is een buitenkans die mij (misschien) niet nog eens zal worden gegund. Op elk ogenblik meet ik die buitenkans af : hoe ik elke morgen weer in het licht en elke avond weer in de duisternis kom te staan ; hoe de dingen hun jeugdige glans niet hebben verloren ; hoe ik op mijn gezicht een glimlach waarneem. Het leven komt op mij af als een golving, als fijne druppeltjes, als een licht veeleer dan een kracht. Tegenwoordig wordt het handelen (een ruimer begrip voor arbeid) als een hogere waarde gezien, alsof iemand die niet handelt ook niet leeft. Daardoor zijn de dromers, die in stilte beminnen of voldoende hebben aan het genoegen dat ze bestaan, stoorzenders. Vandaar dat ouderen de tijd willen inhalen die ze tijdens hun beroepsleven hebben verloren : ze zijn bekwaam in meer dan één vak, ze spreken meer dan één taal, ze beheersen meer dan één techniek. Een kind roept : “Mama, kijk zonder handen !” en de oudere roept : “Kijk eens wat ik (nog) kan !” In godsnaam, waarom dit extreem vertoon van activiteit ? Kan een ochtendje gymnastiek en een avondje dansen niet volstaan ? Zou het niet wijzer zijn, ons enkele essentiële vragen te stellen die wij tijdens ons beroepsleven niet konden stellen bij gebrek aan tijd ? Wie was ik ? Wie ben ik ? Wanneer heb ik de verantwoordelijkheid voor mijn lot aanvaard ? Wie was ik ? Behoorde ik bij die schoolkinderen die er een sport van maakten om snel te gaan, om hun vriendjes achter zich te laten ? Er al eens aan gedacht dat die leerlingen de oorzaak en de norm zijn van het bestaan van de zwakker begaafden ? Traagheid, beste lezer, is de laatste van de archaïsche waarden. Op alle terreinen waarop de menselijke geest actief is, komt het er in de eerste plaats op aan om steeds sneller te reageren, informatie te verzamelen, te zien en te programmeren. In vergelijking met dat nieuwe slag van mensen (de snelheidsduivels) zal de door mij geprezen soort (de traagheidsadepten) overkomen als luiaards, bijna psychomotorisch gehandicapten. En toch blijf ik bij mijn standpunt. Ik leg even uit waarom ? Een lofrede op de arbeid werd (door de eeuwen heen) gefabriceerd zonder een duidelijk onderscheid te maken tussen enerzijds de voortdurende werkzaamheid van onze geest, van onze zintuigen en anderzijds de arbeid waaraan we in een bepaald maatschappelijk systeem zijn onderworpen. Door het handelen in zijn ruimste zin te verheerlijken heeft men het uitgebreid tot buiten de grenzen van de wereld en de tijd waarin de arbeid wordt verricht. Het wordt als hoofdregel gepresenteerd daar waar van rust en niet van vrije tijd wordt gesproken (de puberteit, ziekte b.v.). Eindelijk hadden wij, de bejaarden (de niet meer zo van de jongste), het recht verworven om te rusten. Op een bankje in de zon te gaan zitten, te beginnen aan een eindeloos spelletje kaart, in een café ernstig een glas witte wijn te bekijken en het daarna met kleine teugen leeg te drinken, de ogen over de bladzijde van een krant te laten dwalen. Maar ook dat soort oudere mensjes is bijna verdwenen en maakt plaats voor flink ter been zijnde senioren die (nog) allerlei heldendaden willen verrichten. Voor mij hoeft het niet (meer). Ik wil het nog even uitleggen, lezer (ook al ben je nog niet (zo) oud). Leer flaneren ! Dat is niet de tijd opschorten maar zich eraan aanpassen zonder dat hij ons opjaagt. Snap je ? Het betekent dat we beschikbaar zijn, zonder onze wil op te dringen. Vrijuit, langzaam stappen in een gehaaste stad, slechts waarde hechten aan het wonder van het moment. Een flanerende mens heeft iets soevereins, vloeibaars in zijn houding en straalt begrip uit. Gehaaste mensen flaneren niet. Ze hebben geen tijd te verliezen. Opgelet, wandelen is niet hetzelfde als flaneren. De wandelaar heeft de behoefte om zijn activiteit te rechtvaardigen op grond van gezondheidsoverwegingen, zoals een goede spijsvertering, de longen vullen met lucht die per se zuiver moet zijn. Als je wandelt, doe je dat in het gezelschap van een vriend(in) en samen kun je dan lekker discussiëren over politiek, het dure leven, de metafysica en zelfs de sport. Ik wandel niet zo graag, ik flaneer liever, liefst met mijn vrouw. Wanneer de natuur een groots uitzicht biedt, geeft ze mijn gedachten een religieuze kleur. Ik denk na over de kwetsbaarheid van de mens, over kortstondig succes en over de naderende dood. Mag ik even persoonlijk worden ? Schrijven, niet in de eerste plaats om je talenten te beproeven, maar om te proberen dichter bij jezelf te komen en jezelf niet langer “voorbij te lopen”, is voor mij de affirmatie van mijn “traagheid”. |